Groot verschil in sportieve activiteiten tussen lage en hoge inkomens
Mensen met een laag inkomen ondernemen minder sportieve vrijetijdsactiviteiten dan mensen met een hoger inkomen. Die kloof tussen arm en rijk lijkt te groeien.
Inhoud van dit artikel
Mensen met een hoger inkomen sportten in 2024 vaker dan mensen met een lager inkomen. En dat verschil is de afgelopen tien jaar groter geworden. In 2024 sportte bijna 8 op de 10 mensen minstens een keer in de afgelopen twaalf maanden. Sinds 2014 is dit nauwelijks veranderd. Kosten zijn voor mensen met een lager inkomen vaker een drempel om te sporten. Dit meldt het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) op basis van nieuwe cijfers over 2024 uit het onderzoek de Vrijetijdsomnibus. Het nadeel van dit onderzoek, de cijfers zijn twee jaar oud. Die vastgestelde kloof is er nog steeds.
Mensen met een hoog inkomen doen vaker aan sport
Hoe hoger het inkomen, hoe meer mensen sporten. In de hoogste inkomensgroep sportte 89 procent, in 2014 was dat 88 procent. In de laagste inkomensgroep zijn minder mensen gaan sporten: 66 procent in 2024 tegen 72 procent in 2014. Hierdoor is het verschil tussen beide groepen groter geworden.
Ook bij het kiezen van een sport zijn verschillen naar inkomen zichtbaar. Mensen uit de hoogste inkomensgroep doen vaker aan fitness, golf, hockey, padel, tennis en wielrennen dan mensen uit de laagste inkomensgroepen. Andersom geldt dit niet: er is geen sport die vaker wordt gedaan door mensen uit de laagste inkomensgroep dan door mensen uit de hoogste inkomensgroep.
Té duur
Mensen met een lager inkomen zeggen vaker dan mensen met een hoger inkomen dat kosten een reden zijn om niet te sporten. In de laagste inkomensgroep vindt 69 procent de algemene kosten om te sporten te hoog, tegenover 43 procent van de hoogste inkomensgroep. Daarnaast zegt 32 procent van de mensen met de laagste inkomens na het betalen van de vaste lasten niet genoeg geld over te houden om te sporten. In de hoogste inkomensgroep is dit 6 procent.
Er zijn ook duidelijk verschillen in sportkeuze. Van de mensen in de laagste inkomensgroep zegt 27 procent dat zij de sport die ze het liefst willen doen niet kunnen betalen, tegenover 7 procent van de hoogste inkomensgroep. Van de mensen in de laagste inkomensgroep zegt 54 procent vaker te gaan sporten als het gratis zou zijn. In de hoogste inkomensgroep is dat 30 procent.